Vragen over het nieuwe toetsbeleid met antwoorden

In september waren de informatieavonden voor alle ouders in alle afdelingen en leerjaren, waar de kennismaking met de mentoren centraal stond. Daarbij ontvingen de mentoren al diverse vragen over onze nieuwe aanpak, waarvoor dank. Wij proberen de vragen eerst in deze vragenlijst te beantwoorden. U kunt per thema op zoek gaan naar de antwoorden op de vragen die voor u belangrijk zijn.

Mocht u na het lezen van de vragen en antwoorden nog vragen of ideeën hebben, dan bent u van harte welkom op de informatieavond op 18 oktober om 19.30 uur in de aula aan de Mecklenburglaan.

Aanmelden was mogelijk tot en met zondag 14 oktober 2018

De school ontwikkelt zich van een cijfercultuur naar een feedbackcultuur. Dit betekent overigens niet dat cijfers volledig uit beeld verdwijnen. Er zijn nog steeds summatieve toetsen met een cijfer die meetellen voor de beslissing bij de overgang naar een volgend leerjaar en voor het diploma. Daarnaast zijn er momenten voor formatieve evaluatie waarmee de leerling test of hij/zij op de goede weg is naar de einddoelen en feedback krijgt. In de lessen is meer aandacht voor feedback en en de leerling is eigenaar van het leerproces.

  • De leerling gaat met feedback aan de slag. Dat kan op allerlei manieren: feedback krijg je van je docent of een klasgenoot, bij een beurt in de klas of bij huiswerk, bij kleine testjes, oefen-so’s en diagnostische toetsen. Met feedback ontdek je waar je staat op weg naar het einddoel en je komt ook te weten hoe je verder komt, hoe je jezelf kan verbeteren.
  • Het jaar is verdeeld in drie min of meer gelijke periodes. Elke periode wordt in onderbouw en bovenbouw afgesloten met een toetsweek. De leerlingen krijgen de week vóór de toetsweek een verkort lesrooster zodat zij extra leertijd hebben.
  • Alle toetsen wegen even zwaar en er is een maximum van zes summatieve toetsen per vak per jaar (en een minimum van één cijfer). Deze toetsen tellen dus mee voor de bevordering. Voor de meetmomenten tussendoor, de formatieve testen geldt: minimaal drie en maximaal zes keer per vak per jaar. 
  • Alle toetsen per leerjaar worden genoteerd in het PTO (Programma Toetsing Onderbouw) of in het PTA (Programma van Toetsing en Afsluiting, voor de bovenbouw). De PTO’s en PTA’s worden begin oktober gepubliceerd op de schoolwebsite. Voor de actuele PTO’en PTA’s zie hier.

We zijn begonnen met een analyse van de huidige situatie met de hulp van een extern bureau, gespecialiseerd in toetsing. Zij hebben leerlingen, docenten en schoolleiding geïnterviewd om een beeld te vormen. Dit was nog in schooljaar 2016-2017. Daarna (in 2017-2018) hebben docenten het onderwerp verder verkend en is een werkgroep aan de slag gegaan om tot concrete plannen en beleid te komen. Zij hebben bedacht wat de mix is van formatieve evaluatie en summatieve toetsen. Zo is bijvoorbeeld het uitgangspunt van maximaal zes summatieve toetsen per vak bepaald.In de afgelopen jaren hebben we ook vaak met leerlingen gesproken, onder andere over toetsing, in leerlingenarena’s en feedbacksessies. Vorig jaar is bijvoorbeeld door vele leerlingen het idee genoemd om naar drie periodes te gaan. Ook het idee van een verkorte lesweek vlak voor de toetsweek is een idee van leerlingen.
De plannen zijn vervolgens besproken in o.a. de ouderraad en tot slot goedgekeurd in de MR.

Er zijn zes werkgroepen die met deelthema’s aan de slag zijn gegaan. Zij bespreken met elkaar didactische vragen en ideeën en versterken zo hun eigen expertise en brengen die verder de school in. De schoolleiding heeft de nieuwe aanpak voorlopig bij elk overleg op de agenda om vinger aan de pols te houden. De eerste reacties zijn overigens positief, omdat we allemaal actief bezig zijn om goed onderwijs te realiseren. Natuurlijk klinken daar ook kritische geluiden en het is wel eens spannend om iets heel anders te doen; maar het goede gesprek over onderwijs is nu vaak gaande in de gangen en lokalen van de school.
In december en april zullen we met de leerlingenraad, MR en ouderraad ook de stand van zaken peilen en verbeteringen voorstellen indien nodig. Dat betekent niet dat we op zulke momenten plots zullen kiezen voor grote veranderingen; een nieuwe aanpak heeft nu eenmaal tijd nodig om te groeien.

De aandacht voor feedback en leren leren komt in alle klassen terug. Voor de eindexamenklassen (dus mavo 4, havo 5 en vwo 6 in 2018-2019) voeren we de afspraken over het aantal toetsen en de weging ervan niet in. Zij hebben al één of twee jaar in hun PTA gewerkt. Voor alle overige klassen gelden de nieuwe afspraken wel.
We hebben gekozen voor een volledige invoering omdat we ook kiezen voor minder toetsdruk – en dat willen we voor alle leerlingen. Bovendien is het effect van de nadruk leggen op feedback in plaats van op cijfers duidelijk bewezen op andere scholen (wereldwijd).

Niet elke leerling zal het zo hebben ervaren en er waren zeker verschillen per klas en niveau. Maar bij sommige vakken hadden leerlingen wel twintig cijfers per jaar; meer dan tweehonderd toetsen in totaal per jaar; en piekweken buiten de toetsweken met wel twaalf toetsen. Met vier periodes en vier toetsweken in de bovenbouw renden de leerlingen en docenten rond in een voortdurende estafette van toetsen, inhalen, nakijken en herkansen en weer toetsen. Het aantal zieken tijdens en rondom die toetsweken was bijzonder hoog. Steeds weer moeten presteren, dat doet iets met jonge mensen. Ook in landelijke media verschijnen er regelmatig berichten over toetsdruk, prestatiepijn en stress bij jongeren. Wij kunnen factoren buiten het Libanon, zoals de steeds strengere selectie-eisen van vervolgopleidingen of de prikkels van ‘altijd online zijn’, niet uitschakelen. Maar als school vonden we dat onze eigen bijdrage aan ongezonde eisen teruggebracht moest worden.

Begin oktober worden de PTO’s en PTA’s gepubliceerd op de website. Het PTA (toetsprogramma bovenbouw) moet volgens landelijke eisen op 1 oktober bij de inspectie binnen zijn. Voor het PTO (toetsprogramma onderbouw) geldt zo’n eis niet. Elk jaar evalueren docenten in de vaksecties hun programma en verbeteren zij het ten opzichte van het vorige jaar. In september worden de nieuwe programma’s vastgelegd en uitvoerig gecontroleerd en dan pas wordt het definitieve PTO/PTA bekendgemaakt. Voor de actuele PTO’en PTA’s zie hier.

Summatieve toetsen testen of de leerling de leerdoelen behaald heeft. Het zijn eindmetingen en het cijfer telt mee voor de bevordering of voor het diploma. Dit zijn bijvoorbeeld eindtoetsen, presentaties, praktische opdrachten, mondelinge of schriftelijke examens. Voor elk vak is er een minimum van één toets per jaar en een maximum van zes toetsen. Alle toetsen wegen even zwaar.

Meetmomenten tussendoor met feedback noemen we formatieve evaluatie. Er worden geen cijfers of beoordelingen gegeven. Het doel is inzicht te krijgen in je leerproces: waar sta je op de weg naar het einddoel, hoe kun je nog beter werken en leren? Dit zijn bijvoorbeeld oefen-so’s, opdrachten in de klas, huiswerk, diagnostische toetsen, oefentoetsen. Er zijn informele vormen van formatieve evaluatie (bijvoorbeeld een quiz in de klas), maar leerlingen hebben ook formele, afgesproken, formatieve meetmomenten (bijvoorbeeld een diagnostische toets). Van deze formele formatieve toetsen zijn er minimaal drie en maximaal zes per vak per jaar.

De informele formatieve toetsen zijn eigenlijk geen toetsen, maar allerlei didactische werkvormen waarmee docenten en leerlingen ‘de leeractiviteiten van leerlingen in kaart brengen, interpreteren en gebruiken om betere beslissingen te maken over de vervolgstappen’ (Black & William (1998): "Assessment and classroom learning. Assessment in Education: Pinciples, Policy & Practice"). Dit kan op heel veel verschillende manieren gebeuren tijdens de les. Bijvoorbeeld door het gebruik van programma’s als Socrative en Kahoot: leerlingen geven individueel antwoord op vragen en ‘stemmen’ via hun telefoon. Niet alleen kan een docent besluiten bepaalde stof nogmaals te herhalen als sommige vragen vaak fout beantwoord worden, ook kunnen ze de denkfouten in bepaalde foute antwoorden herkennen. Zo krijgen ze inzicht in wat leerlingen denken en waar ze dan de fout in gaan, zodat dat expliciet besproken kan worden. Een ander voorbeeld is het maken van één of twee examenvragen over een bepaald onderwerp en dit bespreken in groepen, waardoor leerlingen feedback aan elkaar moeten geven over hun antwoorden en daarmee hun eigen antwoorden moeten verbeteren.

Zo zijn er vele verschillende manieren om feedback te verzamelen waar de docent of de leerling vervolgens beslissingen mee kan maken over het vervolg van het lesgeven of leren. Dat is niet nieuw, deze principes zaten ook al in het begrip ‘activerende didactiek’ van het Wereldklasconcept. Wat wel nieuw is, is dat er door het verminderen van het aantal summatieve toetsen zowel meer tijd als meer noodzaak is voor feedback verzamelen tijdens het leren.

Uit onderwijsonderzoek blijkt dat twee elementen aantoonbaar veel leeropbrengst hebben: feedback en metacognitieve vaardigheden (dit betekent: leren over het leren). Dit is bijvoorbeeld terug te vinden op de website van de Education Endowment Foundation. Wij hebben ervoor gekozen om deze twee meest effectieve onderdelen op het Libanon te versterken. Onze nieuwe aanpak leren en toetsen legt de nadruk op feedback geven tijdens het leren en de leerlingen leren daarmee beter leren, plannen en organiseren.

Het Libanon Lyceum niet de enige school in Nederland die deze inzichten willen toepassen in de dagelijkse praktijk. Formatieve evaluatie is op veel lerarenopleidingen een bekend onderdeel in het programma. Organisaties als de VO-raad, de NRO en vele andere scholen, zowel in het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs als in het hoger onderwijs houden zich bezig met het integreren van feedback in de dagelijkse praktijk en het verminderen van toetsen voor cijfers. Dat leest u bijvoorbeeld hier: www.avs.nl of hier: www.toetsmagazine.nl.

We verwachten dat de leeropbrengst van alle leerlingen groter wordt. Daarnaast past de nadruk op metacognitieve vaardigheden (het leren over het leren) heel goed bij de Wereldklasdidactiek: een activerende manier van leren en expliciete aandacht voor de vaardigheden samenwerken, reflecteren, verantwoordelijkheid nemen en doorzetten. Dankzij de feedback zullen zowel docenten als leerlingen een goed beeld hebben van waar ze staan en wat ze nodig hebben om verder te komen; het onderwijs wordt beter op maat. Tot slot zijn we er van overtuigd dat we de leerlingen zo beter voorbereiden op het vervolgonderwijs, waar zelfstandigheid en het maken van beslissingen over je eigen leren heel erg belangrijk zijn.

Nee. Hoewel we de ‘formatieve evaluatie’ benoemen als een nieuwe aanpak voor het Libanon, is er ook heel veel hetzelfde; docenten gaven altijd al feedback en hielpen leerlingen op weg naar einddoelen. Er zijn nu afspraken over het aantal toetsen en die waren er eerst niet; maar in veel vakken werd al met een vergelijkbaar aantal cijfers gewerkt – en zonder problemen. Het nieuwe is dat wij deze aanpak als gelijk uitgangspunt voor de hele school nemen – een aanpak die in diverse erkende onderwijsonderzoeken bewezen is. We maken van een paar goede ideeën beleid voor de hele school, zodat de Wereldklas wordt wat we altijd beloofden en zodat leerlingen daarin een gelijk, dus eerlijk traject hebben in toetsen en beoordelen.

De formatieve meetmomenten geven de docent net zo veel informatie als toetsen met een cijfer. Er zijn zelfs vele snelle, slimme manieren om te zien of iedereen in de klas goed meekomt, of over welke vraag de meeste leerlingen struikelen.

Voorbeeld 1: een docent economie laat de leerlingen een test maken met gebruik van Socrative op de smartphone. Hij ontdekt zo niet alleen wie het goed doet en wie nog hulp nodig heeft, maar ook bij welke vragen de meeste leerlingen afhaken. Aan die onderwerpen besteedt hij extra aandacht.

Voorbeeld 2: een docent Nederlands laat leerlingen een kort verhaal schrijven en de leerlingen kijken elkaars werk na op spelling en categoriseren de fouten die ze tegenkomen. De leerlingen hebben zo een eerste feedbackronde gehad en de docent neemt het werk in om snel te zien welke categorieën voor de hele klas extra aandacht nodig hebben. Daarnaast ziet ze of het geven van feedback onder leerlingen goed genoeg gaat en ze krijgt een snelle indruk van de schrijfvaardigheid van alle leerlingen.Het is nu – na twee maanden – al onze ervaring dat docenten door het verminderen van het aantal cijfers beter ‘kijken’ naar leerlingen, naar waar ze staan en wat ze nodig hebben en dat zij dit ook actief met collega’s delen.

Van begin af aan zijn docenten zelf betrokken geweest bij de inrichting van de nieuwe aanpak leren en toetsen. Een werkgroep van docenten heeft dit plan vorig jaar ingericht. Ook hebben we in het vorige schooljaar een paar cursusbijeenkomsten gehad met een extern bureau, gespecialiseerd in toetsing. Aan het eind van vorig jaar zijn de secties met hun vakprogramma’s aan de slag gegaan. Dit schooljaar gaat onze ontwikkeling verder in een aantal werkgroepen. Daarnaast volgen docenten soms vakinhoudelijke trainingen.

Zodra er een beoordeling op de toets staat, is voor leerlingen het leren afgelopen. Dit blijkt ook al langer uit onderzoeken: een (ruime) voldoende betekent dat het doel gehaald is (dus waarom zou je nog investeren in opletten hoe je het doel had kunnen behalen?) en een onvoldoende voelt als falen, waardoor het voor een leerling moeilijk wordt te geloven dat een leerdoel alsnog binnen zijn of haar bereik ligt. Het eerste wat leerlingen doen als ze een cijfer terugkrijgen – en in dit geval maakt het niet uit of we het over een brugklasleerling of een examenklas-leerling hebben – is zichzelf vergelijken met klasgenoten. Het gevoel van falen of goed gepresteerd hebben, staat verder leren in de weg.

En dit is ook wel logisch: een cijfer is feedback na de prestatie en dan ervaart de leerling geen kans meer om de feedback te gebruiken bij het leren. Vaak kunnen de opgaven van een summatieve toets niet mee naar huis omdat leerlingen de toets nog moeten inhalen of de toets wordt om die reden pas later door de docent besproken. Bovendien is er al een nieuw onderwerp of hoofdstuk begonnen, wat de mogelijkheden voor feedback nog verder verkleint.Als feedback gegeven wordt tijdens het leren en voor de leerlingen duidelijk maakt wat de leerdoelen zijn – niet in de vorm van een hard oordeel voldoende/onvoldoende – maar met aanwijzingen wat ze wel en (nog) niet goed doen en wat ze kunnen doen om op het gewenste niveau te komen, dan kan feedback een grote bijdrage leveren aan het leren zelf. Dit komt én de uitkomst van het leren ten goede, maar juist ook de (leer)doelgerichtheid.

Een goede toets test of de leerlingen de leerstof beheersen. De leerling krijgt verschillende soorten vragen op verschillende niveaus van verwerking: reproductie, toepassing, inzicht. Er zitten vragen in die iedereen kan maken die een beetje heeft opgelet in de les, vragen die bijna letterlijk al geoefend zijn, maar er zitten ook opgaven in die zo complex zijn dat ze echt inzicht op een hoger niveau vragen. In zo’n toets kunnen leerlingen echt laten zien wat ze kunnen.

Wanneer we summatieve toetsen mee naar huis geven, is helaas de ervaring dat de vragen of opgaven niet gedeeld worden om er nog meer van te leren… maar om andere leerlingen een voorsprong te geven. Dan zien we dus niet meer wat leerlingen echt kunnen!
Het leren van fouten bij summatieve toetsen gebeurt dus in de eerste plaats op school. Daar kan de docent de leerling namelijk ook verder helpen als het ondanks een goede voorbereiding niet goed gaat bij een toets. Het gebeurt regelmatig dat ouders of bijlesdocenten om de toetsen vragen, zodat zij thuis kunnen analyseren en helpen. En dat begrijpen we… maar soms is de leerling dan nog niet met de docent in gesprek gegaan over de tegengevallen toets. Ook hier laten we graag het initiatief bij de leerling zelf, al dan niet met aanmoediging van mentor/ouder/bijlesdocent, zodat het leerproces van de leerling blijft.

Tot slot: alle gemaakte schoolexamens en eindexamens (bovenbouw) móeten op school blijven. Ook in de bovenbouw zijn docenten altijd bereid om leerlingen nog eens rustig naar hun toets te laten kijken.

  1. Bespreek regelmatig hoe het gaat in de lessen en met het huiswerk. Doe dit bijvoorbeeld met de Magister-agenda erbij. Het kind is dan eigenaar en laat zien hoe alles ervoor staat. Dit kan een wekelijks momentje zijn: hoe ziet jouw week eruit?
  2. Stel regelmatig de vraag: ‘Welke feedback heb je gekregen bij …?’ Vraag niet alleen naar de moeilijke vakken!
  3. Dat kan ook door te vragen naar de map (onderbouw) met formatieve toetsen, of in de bovenbouw: ‘Heb je nog oefentoetsen met feedback gekregen?’
  4. Volg de cijfers in Magister en bespreek die ook. Let wel: soms zien ouders cijfers eerder dan het kind (in Magister). Het is ook hier altijd beter om het kind zelf te laten vertellen, op een moment dat hij/zij het cijfer al verwerkt heeft.
  5. Zijn er signalen dat het (bij meerdere vakken) niet goed gaat? Bekijk dan of een gesprek leerling-mentor of leerling-ouders-mentor snel plaats kan vinden.

We verwachten hier geen problemen: de afspraak is dat summatieve toetsen (voor een cijfer) tijdig in Magister te staan, twee weken van tevoren. Dit geldt ook voor formele formatieve toetsen met leerwerk. De leerling kan op tijd vragen stellen als er onduidelijkheid is over de status van een toets. Bovendien staan alle toetsen in het PTA of PTO, dus bij twijfel kan een leerling dit ook opzoeken.

Via de ouder-login in Magister kunt u ook zien welk huiswerk er in Magister genoteerd staat, zodat u dit kunt bespreken en begeleiden waar nodig.

In Magister worden nog steeds alle cijfers genoteerd. Dat kunnen per vak per jaar zes cijfers zijn die meewegen voor het gemiddelde. Na elke periode, dus drie keer, krijgt uw kind een rapport met de gemiddelden.

Het zal wel even wennen zijn dat er (voor sommige vakken) minder cijfers tussendoor genoteerd staan. Maar dat betekent niet dat het kind geen oefenonderdelen gemaakt heeft. In elke periode hoort de leerling minimaal één keer een formatieve toets, een oefening met feedback te krijgen. Daarnaast zijn er ook informele oefenonderdelen, bijvoorbeeld een quiz in de klas. De kracht van formatief evalueren (formeel en informeel) is dat de leerling geen beoordeling krijgt, maar feedback waarmee hij/zij verder kan leren. Als we formatieve toetsen toch beoordelen en dit in Magister gaan bijhouden, ervaren leerlingen dat ze kunnen falen op deze momenten. We begrijpen dat het voor ouders spannend is hun kinderen te vertrouwen, zeker in een tijd waarin we gewend zijn elke (mis)stap in Magister te kunnen zien. Maar leren vereist fouten maken in een omgeving waarin je niet direct ter verantwoording wordt geroepen.

Wij zullen de resultaten van de formele formatieve toetsen waar mogelijk mee naar huis geven. In de onderbouw verzamelen leerlingen (de feedback op) hun formatieve toetsen in een map die ze altijd mee naar huis mogen nemen. In de bovenbouw is dit ‘mee naar huis nemen’ de verantwoordelijkheid van de leerling zelf, dat past bij hun ontwikkeling. Maar u kunt erop rekenen dat uw kind feedback krijgt. Vraag uw kind dus naar de vorderingen en de feedback in de lessen.We willen dat de leerling eigenaar is van het leerproces; dat betekent niet dat ouders buitenspel staan. Wanneer de mentor of vakdocent daartoe aanleiding ziet, wordt er altijd contact met ouders opgenomen (maar dat was altijd al het geval). Signaleert u problemen? Vraag de mentor dan wat zijn/haar indruk is.

Elk jaar is voor leerlingen anders. Wat makkelijk ging in klas 3, lijkt in klas 4 onmogelijk. Leerlingen voelen dat meestal zelf heel goed aan, dus we hoeven niet te wachten tot de eerste onvoldoendes vallen! Bovendien krijgen ze feedback, dus waarschijnlijk weten ze ook waaraan ze moeten gaan werken. Dus uitgaande van een paar situaties, zijn dit onze adviezen:

  • Het gaat erg moeizaam bij één vak, al sinds het begin van dit nieuwe schooljaar. Dat blijkt uit de feedback. Als de leerling al duidelijke feedback heeft, dan kan hij/zij actief aan de slag met lesmateriaal en met de docent.
  • Het gaat erg moeizaam bij meerdere vakken. Al voor de eerste toetsweek (of eerstvolgende toetsweek) zal een afspraak met de mentor nodig zijn. Afhankelijk van leeftijd en zelfstandigheid is dit met of zonder ouders. Voor elk vak zal een plan moeten komen, maar met de mentor kan ook besproken worden wat er in algemene zin aan de hand is.
  • De feedback was goed, maar de toets ging slecht. Als dit voor één of hooguit twee vakken geldt, dan kan de leerling zelf analyseren (eventueel met de docent) wat er misging. Welke onderdelen gingen niet goed en wat is er nodig om de volgende keer wel alle soorten vragen te kunnen beantwoorden?
  • De periode ging goed, maar de toetsweek ging erg slecht. Op zo’n moment is zeker een gesprek met de mentor nodig. Ook hier gaat het om de vraag wat er in algemene zin misgegaan is.

Het lijkt misschien een flauw antwoord, maar: uw kind leert het niet wanneer ú de hulpvraag stelt. Veel leerlingen hebben wel wat aanmoediging nodig. Het is goed om dat met uw kind en de mentor (dus samen) te bespreken. Wat heeft het kind nodig om wel zelf vragen te stellen? Wat kan het kind zelf doen? Hoe kunnen ouders helpen zonder het over te nemen? Wat moeten mentor en docenten weten? Er zijn vele manieren om de eerste stap te zetten.

Het is onderdeel van de cijfercultuur dat sommige leerlingen heel hard werken voor een cijfer… en niet zo hard voor een oefentoets. Natuurlijk proberen wij in de eerste plaats leerlingen te prikkelen met feedback (in allerlei vormen). Dit stimuleert het leren tijdens de les en de leerling krijgt zijn/haar doelen steeds beter in beeld, kan doelgerichter werken. Het werken met feedback zien we dus juist als een positieve impuls: leerlingen vergroten hun vermogen om hun eigen werk (en dat van klasgenoten) te beoordelen en te bedenken wat ze moeten doen om verder te komen. Feedback draagt zo bij aan de ontwikkeling van zelfstandigheid en zelfvertrouwen, inzicht in het leerproces en het leren nemen van beslissingen daarover. Daarnaast werken onze leerlingen nog steeds voor cijfers, dus we nemen die prikkel niet volledig weg.

Maar goed, het kan nog steeds gebeuren dat uw kind (tijdelijk) minder hard werkt omdat ‘het toch niet meetelt’. Op school zullen wij steeds benadrukken hoe belangrijk het is om in alle stappen mee te doen en wij hopen dat u dat ook doet. Alle oefeningen in de klas bouwen op naar een toets die wél meetelt. Het zou dus een gemiste kans zijn wanneer iemand bij meetmomenten tussendoor niet werkt en daardoor feedback mist. Ook is bewezen dat het beter is om in delen een grotere toets voor te bereiden dan in één keer alles (zie de studieposter ‘Spaced Practice’).
Het is overigens niet altijd zo dat leerlingen eerst een formele formatieve toets krijgen en daarna een summatieve toets over hetzelfde onderwerp. In formatieve toetsen kunnen ook andere onderwerpen aan de orde komen en de voorbereiding op een summatieve toets kan ook op een andere manier worden vormgegeven.

Wij hebben er vertrouwen in dat leerlingen snel ervaren wat het belang is van de meetmomenten en dat zij groeien in hun rol als eigenaar van hun leerproces. Maar ook hier geldt: signaleert u problemen? Vraag de mentor dan wat zijn/haar indruk is.

Feedback komt in vele vormen en is niet altijd expliciet, maar we hebben wel de afspraak dat leerlingen bij elk vak één keer per periode een formatief meetmoment hebben, dus een test of opdracht waaruit duidelijk blijkt of de leerling goed op weg is. Als uw kind desondanks ervaart dat hij/zij te weinig feedback krijgt, dan verwachten we dat de leerling eerst zelf ernaar vraagt bij de vakdocent. Is dit gebeurd, maar levert het toch niet op wat uw kind nodig heeft? Dan kunt u op de ouderavond in gesprek gaan met de vakdocent. Is de ouderavond al geweest of nog te ver weg, en is het probleem toch urgent, dan kunt u uw verzoek per mail aan de vakdocent richten.

Nee, dat hoeft niet. Niet alle leerstof wordt afgesloten met een summatieve toets. Een deel kan al afgesloten zijn in een formatieve toets. De secties maken hierin zelf hun keuzes.

Dat is niet voor alle kinderen zo, dus laat het de mentor even weten. In de bovenbouw is onze ervaring met toetsweken en eindexamens dat de leerlingen zich het meest gestrest voelen als ze niet weten wat ze moeten verwachten. Wij hopen uiteraard dat de leerlingen door de oefening mét feedback en zónder oordeel het gevoel hebben gekregen dat zij de leerstof volledig beheersen en dat zij niet in een ‘nieuwe situatie’ zijn. Thuis kan het ook helpen om een oefentoets nog eens door te nemen en de situatie van een toetsweek te visualiseren. Blijft er desondanks te veel stress over? Dan kan via de mentor bekeken worden of het ondersteuningsteam kan helpen.

In de bovenbouw verschilt dit niet of nauwelijks met de hoeveelheid cijfers die voorheen gegeven werden. In de onderbouw waren er echter geen schoolbrede afspraken over hoeveel toetsen er gegeven mochten worden. Het kon zijn dat een leerling die vak X van docent Y kreeg, meer toetsen per jaar kreeg dan leerling die vak X van docent Z kreeg – of minder. Dat leek ons echt niet langer wenselijk. Een vaksectie hoort met elkaar te bepalen welke en hoeveel toetsen er nodig zijn om het niveau van de leerling te bepalen en dit hoort voor alle leerlingen in hetzelfde leerjaar en dezelfde afdeling vergelijkbaar te zijn.

In de nieuwe situatie krijgen leerlingen nu 55 tot 65 toetsen per jaar voor een cijfer, afhankelijk van hoeveel vakken ze precies hebben. We hebben ook voor de onderbouw voor toetsweken gekozen waarin alle leerlingen van een afdeling en leerjaar tegelijk dezelfde toets hebben, om verschillende redenen: de toetsen moeten van goede kwaliteit zijn; de toetsen moeten echt iets zeggen over het niveau van de leerling en alle leerlingen moeten in principe dezelfde (of soortgelijke) toetsen maken. Zo geldt voor alle leerlingen dezelfde maatstaf en is die maatstaf ontwikkeld door meerdere docenten uit de vaksectie.

De meeste vakken hebben echter die zes summatieve toetsen per jaar aangehouden, dus tussen de toetsweken in, in de gewone lesweken, worden af en toe ook nog toetsen gegeven. Niet alles hangt af van de toetsweek. Ook voor de tussentijdse toetsen geldt dat ze door de sectie ontwikkeld zijn en dat elk kind een soortgelijke toets (en een soortgelijke normering) krijgt. Een voordeel van toetsweken is dat leerlingen meer tijd hebben om zich voor te bereiden als ze niet tegelijkertijd ook nog les hebben. De afgelopen jaren waren er periodes dat leerlingen vijf of zes toetsen per week hadden en ook nog gewoon lessen moesten volgen en huiswerk moesten maken. Dat zorgde voor te veel stress en uitval bij kinderen.

Natuurlijk is het ook spannend voor leerlingen om in die drie weken per jaar te ‘pieken’. Veel ouders vragen zich af of hun kinderen dat wel aan kunnen en wat gebeurt er als je als kind die druk niet aankunt. Maar de summatieve toetsen staan niet op zichzelf. Leerlingen zijn nu in de lessen beter voorbereid op hun toetsen voor een cijfer dan vroeger.

Een gemiddelde moet uiteindelijk weergeven in welke mate een kind het totaal van het vak beheerst. In de onderbouw is dat belangrijk omdat je daarop ook de keuze voor de bovenbouw baseert en een leerling moet een juist beeld hebben van hoe goed elk vak gaat. In de bovenbouw is het belangrijk in de aanloop naar het eindexamen, ook weer het eigen inzicht in het leerproces. Het is de keuze van de secties om te bepalen wat in elk leerjaar daarvoor wel of niet meetelt. Dat kunnen dus nog steeds projecten of creatieve opdrachten zijn.

Bij elk toetsmoment bespreken collega’s binnen een vak met elkaar de resultaten. Ze bekijken of de toets ‘een goede toets’ was en leggen de norm vast. Een goede toets test of de leerlingen de gevraagde leerstof beheersen op verschillende niveaus van verwerking en het cijfer geeft aan in welke mate het kind beheerst wat hij/zij op dat moment zou moeten kunnen.
In de eerste toetsweek van een nieuw leerjaar blijkt het gevraagde voor leerlingen wel eens pittiger dan zij vooraf dachten, met de toetsen van het vorige schooljaar in gedachten. Toch betekent dat niet dat docenten dan maar de normering bijstellen; want dat gevraagde is wel wat de leerlingen op dat moment zouden moeten kunnen. Dit verschijnsel doet zich elk jaar voor en we verwachten dat het dankzij feedback juist minder wordt in plaats van meer; toch kan het gebeuren en soms vallen er veel onvoldoendes in één klas. Daar zijn allerlei verklaringen voor te bedenken, maar u mag erop vertrouwen dat de docenten dan al de controle hebben gedaan of de normering juist is en dat elke docent ook met de klas aan de slag gaat voor betere resultaten bij een volgende toets.

De rechten en plichten van leerlingen zijn op de website te vinden. Het leerlingenstatuut geldt voor alle leerlingen. Voor leerlingen in de onderbouw zijn hier de aanvullende regels voor toetsing te vinden. Voor leerlingen in de bovenbouw gelden het examenreglement (te vinden in het PTA) en de aanvullende regels.

We gaan nu naar twee herkansingen. Het zou vreemd zijn om met minder toetsen nog steeds meer herkansingen te hebben. In de bovenbouw proberen we leerlingen te beoordelen volgens de regels die ook bij de eindexamens gelden, zodat we weten dat ze daarvoor klaar zijn – natuurlijk wel passend bij het niveau van voorexamenjaren. Bij het eindexamen mag je maar één herexamen doen, op een cijferreeks die voor vijftig procent de uitslag van je eindexamens bepaalt. Bij de schoolexamens en toetsen die daaraan voorafgaan, mag je per jaar twee herkansingen maken. Dat lijkt ons een eerlijke regeling.

Een deel van dit antwoord vindt u ook bij de vraag ‘Waarom mogen niet alle toetsen mee naar huis?’ Het is voor docenten nog best wat werk om goede toetsen te maken en dat is niet erg, want van het maken, nakijken en nabespreken valt veel te leren. Maar wanneer toetsen ingehaald en herkanst worden, moeten docenten steeds weer nieuwe versies maken om te voorkomen dat leerlingen met een voorsprong aan de toets beginnen – dat is helaas ook hier onze ervaring. Met het maken van elke extra versie neemt bovendien de kans af dat de toets de leerlingen op precies hetzelfde niveau toetst en deze gelijke beoordeling is toch wel het uitgangspunt.

Daarnaast hopen wij ook dat leerlingen en ouders niet te licht denken over afwezigheid bij toetsen. Dat kwam in het verleden vooral in de bovenbouw voor, waarbij het soms leek dat een leerling eigenlijk afwezig was om de toets ‘uit te stellen’. Die specifieke toets mag dan nu dus wel worden ingehaald, maar niet meer worden herkanst, wat de reden van afwezigheid ook is.

Bij het eindexamen betekent afwezigheid overigens inhalen in het tweede tijdvak; en herkansen eventueel in het derde tijdvak, dus dan heeft de leerling pas veel later een diploma. Een nog veel minder aantrekkelijke regeling, maar die is landelijk bepaald. (De aanwezigheid bij de eindexamens is meestal 100%.)

In de onderbouw wordt de toepassing van deze regel per geval bekeken, maar bij regelmatige afwezigheid bij toetsen kan ook hier de uiteindelijke consequentie zijn dat de mogelijkheid om de desbetreffende toets te herkansen vervalt.

proefwerkpapier